Je zult maar koning van Engeland zijn en ernstig stotteren. Keizer Wilhelm II had een beperking aan zijn linkerarm, een handicap waar hij naar het schijnt erg onder leed. Ik denk dat koning George VI deze handicap verre had verkozen boven zijn spraakprobleem. Toespraken moeten houden voor het ganse volk terwijl je weet dat je niet uit je woorden komt, dat moet een nachtmerrie zijn.

Als tweede zoon van koning George V krijgt prins Albert – want zo heet hij tot het moment dat hij koning George VI wordt – een spartaanse opvoeding. Voor zijn spraakprobleem is geen begrip. Integendeel, hij wordt vreselijk gepest, ook door zijn broer David. Gezien zijn spraakprobleem is het voor prins Albert een opluchting dat niet hij, maar zijn broer David de kroonprins is.

Als koningszoon heeft prins Albert wel verplichtingen en moet hij zo nu en dan een toespraak houden. Dat gaat hem niet best af. Hij bezoekt dan ook verschillende spraaktherapeuten. Net als Demosthenes zo’n 2500 jaar eerder moet hij van een van de therapeuten proberen te spreken met stenen in zijn mond. De prins stikt bijna en raakt, begrijpelijkerwijs, het vertrouwen in spraaktherapeuten kwijt.

Uiteindelijk komt de prins terecht bij een man die zijn probleem op een heel andere manier benadert. Geoffrey Rush speelt deze therapeut geweldig, als een behandelaar die kijkt naar de man achter het stotteren, een eenzame prins die als kind een hoop narigheid heeft meegemaakt. De prins heeft in eerste instantie absoluut geen vertrouwen in deze vorm van therapie en weigert mee te werken. Gezien zijn positie en de tijd waarin hij leeft, is dat goed te begrijpen.

Wat er verder gebeurt, zal ik niet verklappen. Er zijn vast mensen die de film nog willen gaan zien.

Als logopedist was ik vooral getroffen door de oprechte interesse van de therapeut in de nogal arrogante prins. Door zich op te stellen als een vriend en door vragen te stellen die niemand in die tijd aan een prins zou durven stellen, weet hij door te dringen tot de problemen en het verdriet dat de prins in zijn leven heeft ervaren. Dat beschouwt hij als de werkelijke oorzaak van het spraakprobleem. Daarnaast laat hij de prins steeds weten dat hij alle vertrouwen in hem heeft en zeker weet dat zijn spraak zich zou verbeteren.

Inmiddels is door onderzoek duidelijk geworden dat bij stotteraars de coördinatie van de spraakbewegingen minder vloeiend verloopt. De oorzaak van deze minder vloeiende afstemming ligt in de hersenen. We weten ook dat deze aanleg ervoor zorgt dat kinderen wat meer herhalen en hakkelen dan hun leeftijdsgenootjes, maar dat zij niet allemaal gaan stotteren.

Er speelt dus nog iets anders een rol. Dat had de therapeut in de film goed in de gaten. Wanneer een kind zelf of de mensen in zijn omgeving het hakkelen als probleem gaan ervaren, geeft dat spanning. Daardoor kan het vloeiende hakkelen van een kind veranderen in stotteren.

Dat is precies wat er in de jeugd van de prins was gebeurd; er was geen sprake van begrip, maar van een harde aanpak en pesterijen. Zijn spraakprobleem had zich ontwikkeld tot een ernstige vorm van stotteren, waarbij hij uiteindelijk vaak geen woord meer kon uitbrengen en zijn zelfvertrouwen was kwijtgeraakt.

Juist omdat tegenwoordig veel nadruk wordt gelegd op neurologie en genen, vind ik deze film zo interessant. Het is van belang dat we weten welke neurologische processen een rol spelen bij stoornissen als stotteren. Maar dat speelt niet als enige een rol. Bij de behandeling moeten we goed te kijken hoe we in ieder afzonderlijk geval de therapie het beste kunnen afstemmen op de persoon die onze hulp vraagt. Hoe dat werkt, heeft Geoffrey Rush uitstekend laten zien. Hij heeft daarvoor mijns inziens een Oscar verdiend. Helaas heeft hij die niet gekregen.